Geslacht en grammatica. Hoe (on)zichtbaar is geslacht in taal?
24.03.’26
24.03.’26
Lezing door dr. Natalie Verelst
De connectie tussen taal of grammatica enerzijds en geslacht anderzijds staat anno 2026 volop in de maatschappelijke en academische belangstelling, bijvoorbeeld wat genderinclusief taalgebruik betreft. Breder maatschappelijk bekend zijn vooral die delen van de grammatica waarin geslacht heel zichtbaar is, zoals in voornaamwoorden (hij en zij). Maar in tegenstelling tot wat de debatten daarrond misschien doen vermoeden, is de rol van geslacht in grammatica niet altijd even zichtbaar en het nadenken over de samenhang van taal en geslacht geen nieuw fenomeen. Al in de vijfde eeuw v.Chr. nam de Griekse filosoof Protagoras aan dat zelfstandige naamwoorden door hun “mannelijke”, “vrouwelijke” of “niet-menselijke” eigenschappen in verschillende categorieën kunnen worden opgedeeld. Hij noemde die categorieën dan ook mannelijk, vrouwelijk en onbezield – de geboorte van het grammaticale “geslacht”. Aristoteles daarentegen erkende die samenhang tussen grammatica en geslacht niet.
Voortgaand op dat millennia-oude dispuut bekijken we wat de taalkunde als wetenschappelijke discipline ondertussen aan inzichten heeft voortgebracht over de rol van geslacht in grammatica, en hoe die inzichten een bijdrage kunnen leveren aan maatschappelijke discussies rond taal en geslacht. De weg voert via de heel zichtbare uitdrukking van geslacht en de maatschappelijke debatten daarrond naar de minder zichtbare, maar significante rol die geslacht überhaupt in taal kan spelen. Een greep uit de vragen die daarbij naar voren komen:
Dinsdag 24 maart 2026 om 20u